Breda, 12 september 1991.
Beste medewerker(-ster) van B.A.T.,
Bij deze kom ik mijn belofte na, en vertel het e.e.a. over RAUM.
Stel u voor dat ik een gat in het plafond van mijn kamer maak,
daarop een enorme trechter monteer, en mijn kamer volgiet met
beton. Daarna pel ik alle muren weg.
Die vorm, het negatief van mijn kamer, heb ik in een leegstaande
loods (vroeger de metaalwerkplaats van de kunstacademie) gebouwd.
Ik heb de vorm vergroot en een beetje schuin in de ruimte gezet.
Men kon hierdoor geen afstand van het bouwwerk nemen, maar moest
zich door er omheen te wandelen een beeld vormen.
Het negatief van mijn kamer heb ik van durox-blokken gebouwd;
het was dus zichtbaar hol. Waarna de dunne paraffine-laag die
ik erop aangebracht heb het geheel weer een massieve uitstraling
gaf.
Omdat het bouwwerk zichtbaar hol was, wilde men graag weten hoe
de binnenkant ervan er uitzag (terwijl men eigenlijk al tegen
de binnenkant van mijn kamer áánkeek...).
Men kon de binnenkant niet zien, men kon geen afstand nemen. En
zo werd de ruimte rondom het bouwwerk ongemerkt heel belangrijk.
Het zei eigenlijk: "Hol? Massief? Het doet er niet toe! Nee, je
kunt er geen afstand van nemen, en je kunt er ook niet in kijken.
Hier moet je het mee doen. ZO IS DE SITUATIE."
RAUM is dus een situatie. Ik heb dan ook bewust vermeden het bouwwerk,
de vorm, het negatief van mijn kamer "beeld" te noemen.
Beeld: dat is voor mij de hele situatie. Het hier en nu. Niet
wat ik zou willen, maar wat er ìs. Omdat er zoveel over het hoofd
gezien wordt, terwijl het ongemerkt heel belangrijk is.
Inmiddels is de situatie anders:
het beeld is afgebroken.
En dan is er zo'n bedrijf dat RAUM wel wilde sponsoren.
Al is het sponsoren van kunst "in" (zoals meneer Rein Jansen zei),
via het bedrijfsleven wordt weer bevestigd dat maatschappij en
kunst onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Vriendelijke groeten,
Filia den Hollander. |