In 1965 kreeg Aldo van Eyck de opdracht voor het ontwerp van een tentoonstellingspaviljoen in het Arnhemse Park Sonsbeek. Het paviljoen diende gedurende de zomer van 1966 als onderkomen voor moderne beeldhouwwerken van een dertigtal kunstenaars waaronder Brancusi, Arp, Marini, Giacometti, Zadkine, Tajiri en Constant. Van Eyck trad hiermee in de voetsporen van Gerrit Rietveld die twaalf jaar eerder op dezelfde plaats een dergelijk paviljoen bouwde 1).Waar Rietveld echter door middel van een op de principes van De Stijl gebaseerde open compositie van vrije vlakken een vloeiende overgang tussen interieure en exterieure ruimte realiseerde, zocht Van Eyck bewust naar een hieraan tegengestelde ruimtevorm. Getrouw aan zijn uitspraak 'Een gebouw is een stad, een stad een gebouw' heeft zijn paviljoen het karakter van een reeks min of meer besloten stedelijke ruimten.
Het uiteindelijke ontwerp kwam tot stand na een intensief ontwerpproces waarbij meerdere concepten elkaar opvolgden 2). Het paviljoen bestond uit zes evenwijdig geplaatste muren met een onderlinge afstand van circa 2,5 meter en een hoogte van circa 4 meter. De muren waren opgetrokken uit eenvoudige betonnen bouwblokken. Het geheel werd overdekt door een transparant, vrij zwevend vlak. In zekere zin vormden de muren vijf straten. Doordat elke muur ofwel was onderbroken, ofwel door middel van een halve cirkelvorm was uitgebogen, werd het interieur van het paviljoen getransformeerd tot een complex ruimtelijk systeem dat uitdrukkelijk uitnodigde tot dwalen.

De beelden waren als 'mensen' in de 'straten' en op de 'pleinen' geplaatst soms in groepjes, soms solitair, soms op een laag voetstuk en in een enkel geval (een klein werk van Brancusi La Muse Endormie) was er een vitrine in een van de wanden aangebracht. De bezoeker werd al dwalend steeds vanuit andere gezichtshoeken met de verschillende beelden geconfronteerd. Soms stonden ze zo dicht op elkaar of in een zo smalle passage dat fysiek contact haast onvermijdelijk was: 'Bump! - Sorry. What's this? Oh Hello!'

'If it relates to the physical world of nature at all it is through metamorphosis, but primarily it relates to itself. The landscapes that are sometimes disclosed are those of the mind. And like the mind, the dream and the city, they are kaleidoscopic and labyrinthian. I decided therefor, that the new pavilion should posses something of the closeness, density and intricacy of things urban - that it should in fact be city-like, in the sense that people and artifacts meet, converge and clash there inevitably.'
Aldo van Eyck, 'Pavilion Arnheim: a place for sculpture and people', in J. Donat, World Architecture 4, London 1967.

noten
1) Het paviljoen van Rietveld is evenals dat van Van Eyck na de tentoonstelling afgebroken. Terwijl Van Eyck werkte aan zijn ontwerp werd het paviljoen van Rietveld echter dankzij inspanning van de BNA in 1965 herbouwd op het terrein van museum Kröller Müller, waar het nog steeds in gebruik is. Voor Van Eyck's paviljoen worden op dit moment pogingen tot reconstructie ondernomen (wellicht in de Verenigde Staten).
terug

2) Dit proces staat uitvoerig beschreven in de prachtige monografie over Van Eyck van Francis Strauven: F. Strauven: 'Aldo van Eyck, Relativiteit en verbeelding', Amsterdam 1994. De illustraties op deze pagina zijn afkomstig uit deze uitgave. terug

>> intro-pag.

>> VRML-model


tekst en productie: ArchiNed
model: Bart McLeod - Spaceweb