|
W.N. Rose 1801-1877

Ontwerp voor het tweede Coolpolderproject, Rotterdam,
1858.
Collectie Gemeentearchief Rotterdam |
 |
Willem Nicolaas Rose
is waarschijnlijk de minst bekende van de groten uit de Nederlandse
architectuurgeschiedenis van de negentiende eeuw. Dat heeft hij
zeker voor een deel te danken aan de neogotische en neorenaissancistische
collega's die het architectuurdebat nog tijdens zijn leven steeds
meer gingen bepalen, onder wie natuurlijk Cuypers c.s.. Zij vonden
Roses meestal meer klassicistische bouwstijl ouderwets, en hadden
weinig waardering voor diens technologische vernieuwingsdrang, die
overigens ook regelmatig tot mislukte experimenten leidde. Zijn
prachtige uitbreidingsplannen voor Rotterdam waren zo vooruitstrevend
en ambitieus, dat de gemeentebestuurders er niet aan wilde (op een
paar kruimels na). Belangrijk voor het vergeten van Roses werk is
ook geweest dat zoveel ervan al snel gesloopt is, of in het weggebombardeerde
Rotterdamse centrum stond. Het bekende tehuis Bronbeek bij Arnhem
en het voormalige Ministerie van Koloniën bij het Binnenhof
zijn Roses enige twee belangrijke uitgevoerde ontwerpen die nog
bestaan. Ook hier hebben collega's een negatieve rol gespeeld overigens:
één van Roses meest prestigieuze projecten, een 'moderne'
neogotische ijzeren vernieuwing van de dakconstructie van de Ridderzaal,
werd na aanhoudende kritiek binnen een halve eeuw vervangen door
een reconstructie van de oorspronkelijke houten kap.
Hetty Berens' proefschrift is een expliciete poging tot 'rehabilitatie'
van Rose, en misschien daarom ook wel hier en daar te veel uit de
verdediging geschreven. Dat is jammer, want Rose is nu eenmaal geen
Berlage of Cuypers, al is het alleen maar omdat zijn theoretische
impact op latere generaties heel beperkt is geweest, en zijn gebouwen
weinig navolging hebben gekregen. En eerlijk gezegd is dat niet
alleen maar een kwestie van jongeren die zich hebben afgezet tegen
een oudere generatie. Hoe vernuftig en vooruitstrevend zijn werk
ook is, Rose was geen geen groots creatief ontwerper, die zijn visionaire
ideeën ook wist om te zetten in aansprekende projecten. Zelf
zijn beroemdste werk, het grote Coolsingelziekenhuis in Rotterdam
(gesloopt na bombardementsschade) is meer een imponerend en modern
ziekenhuis dan een prachtig gebouw. In haar consequent positieve
pleidooi voor Rose verliest Berens deze harde (en gezien de loop
van de geschiedenis toch niet helemaal subjectieve) realiteit wel
eens uit het oog.
De effecten van de positieve insteek worden nog versterkt doordat
Rose nogal geïsoleerd wordt bekeken. Berens heeft er bewust
voor gekozen de studie van het negentiende-eeuwse architectuurdebat
aan anderen over te laten en zich te richten op het individu Rose.
Enerzijds brengt dat zijn werkwijze en zijn ideeën heel dichtbij,
maar anderzijds raakt zo enigszins uit het zicht wat zijn mogelijke
inspiratiebronnen waren, maar vooral hoe tijdgenoten in vergelijkbare
omstandigheden te werk gingen. Zo was Rose niet de enige vroege
ziekenhuis-architect in Nederland. Hoe deden die anderen het? Paradoxaal
genoeg komt de claim dat Rose een grote voorganger was juist daardoor
minder goed uit de verf: tenzij je erg goed thuis bent in de negentiende
eeuw blijft zijn denkwereld en zijn werk nogal in de lucht hangen.
Dit alles neemt niet weg dat Rose wel degelijk toe was aan een herontdekking,
en dat Berens hem eindelijk die aandacht geeft die hij verdient.
Grondig en uitgebreid worden het leven en de carrière van
Rose, die lange tijd stadsarchitect van Rotterdam was, en later
ook Rijksbouwmeester, beschreven, met veel aandacht voor de felle
discussies die hij met zijn projecten steeds weer opriep. Deze historische
context van een moeizame, maar aanhoudende strijd voor vooruitgang,
die met name blijkt uit een stroom visionaire uitbreidingsplannen
voor Rotterdam vormt de rode draad in het boek. De intensiteit van
het architectonische leven van Rose is indrukwekkend, en wordt mooi
beschreven. Het architectonische handwerk, uiterlijke details van
gebouwen maar ook voor negentiende-eeuwse ontwerpers belangrijke
als 'stijl' en 'karakter' blijven tegelijk wat ongrijpbaar. De wel
erg klein afgedrukte illustraties - onder andere hele stadsuitbreidingen
op ansichtkaartformaat of nog kleiner - in bleke aquarelkleuren
maken het nog moeilijker de esthetische kant van de zaak te bekijken.
Ook wat dit betreft is dit boek dan meer een historische dan een
architectuurhistorische studie. Zelfs als uiterlijk aan bod komt,
komen vaak al gauw functionele aspecten en economische en sociale
factoren om de hoek kijken - wat natuurlijk wel goed bij Roses werk
past. Want als er één ding duidelijk wordt uit dit
boek is het dat de technicus en ambtenaar Rose heel wat dichter
bij het harde leven stond dan de meeste van zijn beroemdere tijdgenoten.
 |
Vladimir Stissi,
|
W.N.
Rose 1801-1877. Stedenbouw, civiele techniek en architectuur
|
|
H.E.M.
Berens, NAi
Uitgevers
prijs € 31,50
ISBN 90-5662-230-7
|
 |
|
|
 |
|